warekt gelak ne zot, betaalt oe eige rot
mor die rijke stinkers blijve lakker buite schot
d’r weurd gekumuleerd, gepoterd met plezier
de kleine man doet dapper mee, mor dan oep zijn manier

heel de wereld stinkt, heel de wereld stinkt
ikke stink, golle stinkt, heel de wereld stinkt
heel de wereld stinkt, heel de wereld stinkt
ikke stink, golle stinkt, heel de wereld stinkt

Ik zen zo zat as 100000 man Ik zen zo zat, ik snap er niks meer van
Ik kan nog amper oep mijn benen staan Ik zen zo zat as een kanon
De juffra vroeg aan jantje: hoeveel is twee plus drij?
Maar Jantje had gezopen, was er helemaal ni bij
Die kleine liet nen boer en de juffra stoeng vor schut
Toen jantje zei: kust gij mijn blote kloten stoemme trut

Kging overletst is nor d’abdij voor nen halve bak trappist
Den abt die kwan derstond derbij en hij vroeg me “wel, wa dist”
” gij ze ne ferme vent meneer, komt gij is efkes mee”
Ent was in de kapel datem ineens da veurstel dee  Zeg wildis

Danse me de paterkes, danse in d’abdoa
Danse me de paterkes vana ien a twie a droa

De man is minderwaardig , aardig aardig
De man is minderwaardig , minderwaardig is de ventµ

Zuipe zuipe da kan ek góe
da kan ekik blindelings en meh m’n oêge tóe
zuipe zuipe tege m’n aar oemoêg
m’ne mond is nog ni leeg of m’n keêl is weral droêg

Met de wijven niks as last Met de wijven niks as last
Met de wijven niks as troubels Met de wijven niks as last